Fenomenologie

Als iemand je vraagt wat je ziet, ga je je concentreren op het visuele. Dat visuele is niet wat je ogen je vertellen, want wat die opvangen wordt ergens achter in je hersenen verwerkt tot een min of meer samenhangend beeld. Als je wilt weten wat je ziet, raadpleeg je een model van wat je visueel beleeft. Je zou kunnen zeggen dat je dat wat je ziet voorstelt als iets dat ergens in je hersenen op een beeldscherm verschijnt. Dat dat slechts een voorstelling is, geen realiteit, blijkt als je je gaat afvragen wie of wat dan dat interne beeld moet bekijken om jou te vertellen wat je ziet. Je zou je kunnen voorstellen dat er in je hersenen een homunculus leeft, een klein mannetje, dat voor dat beeldscherm zit en jou vertelt wat hij ziet. Maar als dat is wat ‘zien’ inhoudt, dan moet dat mannetje in zijn hersens ook een beeldscherm hebben met een mannetje daarvoor. Enzovoort. Dat leidt tot een oneindige regressie, een onafgebroken reeks van steeds kleinere beeldschermen met steeds kleinere mannetjes ervoor.

Je hebt geen mannetjes in je brein. Maar hoe kom je dan tot de uitspraak: “Ik kijk naar een vogel in de lucht”? Op de een of andere manier vertaal je je inwendige beleving in woorden. En het woord ‘ik’ verwijst daarbij naar een persoon. Niet naar iets in je hersenen, maar naar net zoiets als degene die jou vraagt wat je ziet. Je stapt daarbij als het ware buiten jezelf, en vraagt je af wat je gesprekspartner zou zeggen als hij beleeft wat jij beleeft, en je construeert daarmee een antwoord. Daarbij beschouw je jezelf als net zo’n persoon als de ander. Met andere woorden: je modelleert jezelf als een persoon buiten jezelf. Je doet alsof je jezelf van buitenaf bekijkt.

Het venster dat een blik werpt op de individuele persoon is van buiten naar binnen gericht. Het probeert een beeld te geven van wat zich binnen de beslotenheid van die persoon afspeelt. Het probeert zichtbaar te maken wat voor buitenstaanders onzichtbaar is, en eigenlijk voor die persoon zelf ook. Je kunt niet je subjectiviteit losmaken van het zelf, om dat van alle kanten te bekijken. Je zit er midden in, en kunt er niet uitstappen. Het enige wat je kunt doen, is proberen in woorden te vatten wat je ondergaat. Dat is ook waar de fenomenologie zich op richt. De fenomenologie probeert zich te richten op “de zaken zelf”, zoals Husserl het noemde. Het probeert verslag te doen van wat zich afspeelt onder je schedeldak, niet vanuit het perspectief van de wetenschapper, die zich altijd opstelt buiten het object van studie, maar vanuit de eigen betrokkenheid.

Fenomenologen vragen zich af hoe het is om jezelf te zijn. Dat lijkt uiterst consequent. Als je wilt weten hoe de wereld er uitziet, moet je beginnen met wat zich daar onmiskenbaar van onthult. En dat is, zoals we hebben gezien, het subjectieve. Zonder subjectieve ervaring geen kennis van de wereld. Eerst moet je je naar binnen richten, en van daaruit kun je proberen de buitenwereld te beschouwen. Om dan in laatste instantie te concluderen hoe die wereld in elkaar zit. In feite begint alle wetenschap met de vraag hoe het is om mij te zijn. Daarbij kun je je richten op de waarneming, zoals Maurice Merleau-Ponty, en je afvragen hoe dat wat je ondergaat samenhangt met wat er in de wereld aan de hand moet zijn. Of je kunt, als Martin Heidegger, proberen vast te stellen wat ‘bestaan’ feitelijk inhoudt, en dan tot de conclusie komen, dat dat een “Sein zum Tode” is, een aanwezig zijn tot de dood er op volgt.

Helemaal terug